Technische fiche

1. Voorwerp

'Pirotherm G08' is een lichte mortel die toegepast wordt op geprofileerde staalplaten om een dak met verhoogde brandweerstand te bekomen. G08 is een lichte mortel op basis van gerecycleerde geëxpandeerde EPS-korrels, vermiculiet, toeslagstoffen en cement. In de lichte mortel wordt traliewapening en een wapeningsnet voorzien.

De geprofileerde staalplaten worden toegepast als blijvende bekisting, die tijdens het aanbrengen van de dakplaat, zowel het gewicht van de staalplaat als dat van de verse mortel kan dragen.

Op deze uitvullingslaag kan een bijkomende isolatie geplaatst worden. Het geheel wordt afgewerkt met een losliggende, deel- of volgekleefde dakafdichting.

Het daksysteem haalt een brandweerstand Rf van 1h volgens de NBN 713-020.

De dagmaat tussen de ondersteuningen is beperkt tot 6m.

De dakafdichtingen en de eventuele bijkomende isolatie zullen het voorwerp uitmaken van een technische goedkeuring ATG.

2. Materialen

2.1. GO8-mortel

Het betreft een lichte mortel die op de bouwplaats in een aangepaste mengmachine wordt aangemaakt. De granulaten, hulpstoffen, en bindmiddel worden op de bouwplaats met water en vloeibare toeslagstoffen vermengd.

Samenstelling van de mortel (kenmerken zie §7):

     

  • lichte granulaten: gerecycleerde geëxpandeerde polystyreenkorrels (f 2 à 4mm) en geëxpandeerd vermiculiet (f 1 à 3mm)
  • vloeibare en droge hulpstoffen voor het verkrijgen van thixotrope eigenschappen en een goede verwerkbaarheid voor de bescherming tegen snel uitdrogen
  • cement CEM I 52,5R en hydraulische kalk (ongeveer … kg/m³)
  • water (ongeveer … kg/m³)

De volumemassa van de mortel bedraagt … ± … kg/m³ bij het aanmaken. De schijnbare volumemassa van de verse mortel bedraagt … ± … kg/m³ (na 28 dagen conditionering in een vochtige ruimte met 95% RV). De droge volumemassa bedraagt 550 ± … kg/m³.

De totale dikte van het mortelpakket boven de staalplaat (golftop) bedraagt 110 mm.

2.2. Geprofileerde staalplaat

Geprofileerde, gegalvaniseerde staalplaat, profieltype "106" als blijvende bekisting van de dakplaat.

Plaatkarakteristieken :

     

  • plaatdikte (mm): 0,88 ± … (excl. zink)
  • plaatmassa (kg/m²): 11,7 ± …
  • profielhoogte (mm): 106 ± …
  • traagheidsmoment (cm4): 223
  • weerstandmoment (cm³): 33,7

2.3. Wapeningsstaal

Staalkwaliteit BENOR DE500-B5.

2.3.1 Traliewapening

Wordt geplaatst op afstandhouders (punt 2.4.3.) in iedere profilering.

Karakteristieken:

     

  • hoogte (mm): 90 ± …
  • diameter (mm):
  • onderwapening: 10 ± … (glad staal)
  • bovenwapening: 2 x 5 ± … (geribd staal)
  • massa (kg/lm): 1,355 ± …

2.3.2 Wapeningsnetten

Worden overlappend geplaatst op de traliewapeningen (ca. 45mm boven de staalplaten).

Karakteristieken:

     

  • diameter (mm): 6 ± …
  • massa (kg/m²): 4,44 ± …
  • maasgrootte (mm²): 100 x 100

2.4 Bevestigingsmiddelen

2.4.1 Nodig voor het onderling bevestigen van de staalplaten

Inox bouten

     

  • diameter (mm): 4,2
  • lengte (mm): 13
  • aantal: maximale tussenafstand 100 cm

2.4.2. Nodig voor het bevestigen van de geprofileerde staalplaat aan het wapeningsnet.

Inox bouten

     

  • diameter (mm): 4,8
  • lengte (mm): 60
  • aantal: min. 10/9m²

Omgebogen staalplaat met opening in het midden ("beugels")

  • dikte (mm): 2
  • afmetingen (mm): 13 x 20 x 115

2.4.3 Afstandhouders

Trapeziumvormige vermiculiet-beton elementen (breedte bovenzijde 100mm, hoogte 90mm, breedte onderzijde 35mm, lengte 95mm) die precies passen in de profilering van de staalplaat, waarin een gleuf (breedte: 15mm, diepte 32mm) voorzien is voor het plaatsen van de traliewapening. De afstandhouders worden op max. 2m afstand van elkaar geplaatst.

 

2.5 Bitumineuze koudlijm en primers

Bij de plaatsing van de eventuele bijkomende isolatie en de dakafdichting waarbij primers en/of bitumineuze koudlijm gebruikt worden, dient nagegaan te worden in hoeverre deze producten, aangemaakt op solventbasis, verenigbaar zijn met de componenten van de lichte mortel. In elk geval dient de leverancier van deze producten, van de bijkomende ATG-isolatie en/of van de ATG-dakafdichting eveneens geconsulteerd te worden.

 

3. Verwerking

3.1. Draagstructuur

De houten, stalen of betonnen draagconstructie wordt berekend of gecontroleerd op sterkte en op stijfheid; hiertoe wordt het eigengewicht van de mortel/staalplaat evenals de voorziene belastingssollicitaties volgens de van toepassing zijnde ENV 1991 t.e.m. ENV 1999 of hun nationale toepassingsdocumenten) in rekening gebracht.

De opleglengte op de draagconstructie aan beide plaatzijden bedraagt minimaal … mm.

De draagstructuur is proper en vlak. Het steunvlak is heel effen. Een afstrijklaag (met een laag mortel) op metselwerk en op beton wordt aangeraden.

3.2. Plaatsing van de platen

De geprofileerde dakplaten dienen met de gleufrichting haaks op de draagconstructie te worden gelegd.

Het overlappen in de lengterichting gebeurt, indien nodig, ter hoogte van de steunbalken en bedraagt tenminste … mm.

3.3. Bevestiging van de platen

De geprofileerde dakplaat wordt als volgt aan de draagstructuur bevestigd: …

De platen worden onderling in het dal van de profilering met elkaar verbonden d.m.v. inox bouten min. alle 700mm. (<--> 2.4.1. 1000 mm)

3.4 Wapeningsnetten en traliewapening

De traliewapening (punt 2.4.2.) wordt in iedere profilering geplaatst in het midden van de profilering d.m.v. speciaal daarvoor bestemde afstandhouders, bestaande uit vermiculiet-beton (punt 2.4.3.) De afstandhouders worden geplaatst met een tussenafstand van max. 2m en op max. 150 50mm van de uiteinden van de dakplaat.

De wapeningsnetten worden overlappend (overlapping min. 400mm in dwarsrichting, 500mm in langsrichting) geplaatst op de traliewapening, op een hoogte van 45mm vanaf de bovenzijde van de staalplaat, en worden ermee bevestigd d.m.v. beugels met inox-bouten. Deze bevestiging is strict noodzakelijk om de brandweerstand van de dakplaat te garanderen. De wapeningsnetten mogen zowel met langswapening naar boven als naar beneden geplaatst worden.

3.5. Mortelwerken

De goedkeuring behelst het gebruik van het PIROTHERM G08-systeem boven ruimten met een klimaatklasse I, II of III (voor de noodzaak en de keuze van het dampscherm zie de betrefffende Technische Voorlichting van het WTCB (TV 215). Voor klimaatklasse IV dient een aparte bouwfysische studie uitgevoerd te worden.

De helling van de draagconstructie en van het afgewerkte systeem bedraagt max. 20 %.

Indien er in de constructie uitzettings- en bewegingsvoegen zijn, worden deze in de PIROTHERM G08-mortel doorgetrokken (bv. opvullen met stroken minerale wol). De afdichting van de voeg geschiedt zoals aangegeven in de TV 191 van het W.T.C.B.

Per vakken van 200 m² worden in de bovenlaag in de G08-mortel krimpvoegen voorzien.

Alvorens het storten van de mortel worden alle bouwafval en vuilresten verwijderd.

De lichte mortel wordt op de werf gemengd en in een dikte van 110 mm gespoten op de geprofileerde staalplaat.

Al deze fazen kunnen direct na elkaar worden uitgevoerd en dit in alle weersomstandigheden, behalve bij regen of vorst.

4. Afwerking

4.1 Bijkomende isolatie

Na 3 tot 10 dagen (in functie van de weersomstandigheden en van het afdichtingstype) verharden van de mortel, mag de afdichting of bijkomende isolatie worden aangebracht als de bovenlaag voldoende droog is.

4.1.1. Dampscherm

Afhankelijk van het te verwachten binnenklimaat in het gebouw, van de vochtigheid in de draagvloer en van de hygrothermische eigenschappen van de diverse materialen in de dakopbouw moet een dampscherm voorzien worden tussen lichte mortel en de bijkomende isolatie.

De dampschermklasse wordt bepaald door ofwel berekeningen, ofwel overname van de aanbevelingen vervat in de TV 215 van het W.T.C.B. Deze laatste zijn gebaseerd op de rekenmethode van Glaser, waarbij rekening wordt gehouden met niet-stationaire klimatologische randvoorwaarden en met de thermische en hygrische traagheid van het dak.

4.1.2. Plaatsing van de isolatieplaten

De plaatsing van de isolatieplaten wordt uitgevoerd zoals een normale plaatsing op hellingsbeton.

4.2. Afdichting

De afdichtingen worden geplaatst zoals beschreven in de overeenstemmende technische goedkeuring met als type ondergrond 'lichte hellingsbeton'.

Plaatsingswijzen :

     

  • polymeerbitumen
    - losliggende afdichting, geballast
    - deelkleven met warme bitumen, partieel lassen (bv. door gebruik van een geperforeerde onderlaag)
    - vollassen of volkleven met bitumineuze koudlijm of warme bitumen (deze plaatsingswijze kan enkel overwogen worden indien de drogingsperiode van de mortel optimaal was).
  • synthetische afdichtingen
    - losliggende afdichting, geballast
    - deelsgewijs verlijmen
    - volle verkleving (deze plaatsingswijze kan enkel overwogen worden indien de drogingsperiode van de mortel optimaal was).
  • Mechanisch bevestigen is niet voorzien.

5. Eigenschappen

5.1 Kenmerken van de isolerende mortel

De hieronder vermelde waarden zijn criteria opgegeven door de fabrikant. Bij ontstentenis van criteria worden de proefwaarden vermeld.

Eigenschap

Bepalings-methode

Criteria

Fabrikant

Volumemassa (kg/m³)

NBN B14-218

 

- droog

… ± …

- schijnbaar

… ± …

- bij het aanmaken

… ± …

Druksterkte (N/mm²)

NBN B12-208

³ 1,4

Krimp (mm/m)

NBN B14-217

£ …

l -waarde

NBN B62-203

 

- droog

-

- bij 4 massa % vochtigheid

-

- praktische rekenwaarde (ca. 20 massa % vocht)

m -waarde

DIN 52615

-

Brandreactie op de mortel

NBN S21-203

A0

5.2. Stabiliteit

In deze technische goedkeuring wordt dit systeem niet benaderd als een samenwerkende staal/beton-constructie zoals vooropgesteld in Eurocode 4.

De sterkte van de totale vloerconstructie is afhankelijk van de onderliggende balklaag. Voor concrete toepassingen zal steeds voorafgaandelijk een studie gemaakt dienen te worden, rekening houdende met de toelaatbare doorbuiging, mogelijke belastingen en meerveldsoverspanning.

Hiertoe heeft de fabrikant een rekenprogramma / belastingstabellen ontwikkeld / proeven uitgevoerd. De hierna vermelde gegevens zijn gebaseerd op dit rekenprogramma / deze belastingstabellen / proeven en worden hier louter indicatief gegeven:

5.2.1 Sterkte van de dakplaat tijdens de uitvoeringsfase:

Uitgaande van ... (permanente & veranderlijke belasting ?) werden volgende lasten gemeten bij een doorbuiging van lt / 150:

Overspanning lt

(mm)

Stortlasten

(kN/m²)

  
  
  
  
  

5.2.2 Sterkte van de dakplaat in gebruiksfase:

Uitgaande van ... (permanente & veranderlijke belasting ?) werden volgende lasten gemeten bij een doorbuiging van lt / 150:

Totale vloerdikte

(mm)

Overspanning lt

(mm)

Bezwijkbelasting

(kN/m²)

   
   
   
   
   

 

5.3. Windweerstand

Voor de windweerstand van het dakcomplex wordt verwezen naar de ATG van de afdichting of de richtlijnen vermeld in TV 215183 van het W.T.C.B.

 

5.4. Brandweerstand

Voor de brandweerstand wordt verwezen naar proeven van de fabrikant, uitgevoerd volgens de NBN 713-020. Bij consultatie van deze proeven moet met parameters die deze brandweerstand beïnvloeden (draagconstructie - secties en overspanning, dikte mortellaag, geen openingen en doorvoeren, ...) rekening gehouden worden.

Een oriënterende proef werd uitgevoerd waarbij voor een dakplaat met afmetingen 6200mm x 2950mm, voorzien van een bijkomende verdeelde belasting van 100 kg/m², een Rf-waarde van 1h bereikt werd. De proef werd uitgevoerd volgens NBN 713-020 (Proefverslag nr. 8726 - Laboratorium voor Aanwendig der Brandstoffen en Warmteoverdracht - Universiteit Gent).

Deze brandweerstand van de dakplaten heeft geen invloed op en is onafhankelijk van de brandweerstand van de onderliggende, houten, stalen of betonnen draagconstructie.

5.5 Systeemeigenschappen

Met systeem wordt bedoeld de dakplaat waarop - zonder tussenliggende lagen (bv. dampscherm en/of isolatie) - een waterdichtingsmembraan wordt aangebracht.

Eigenschap

Bepalings-methode

Criteria

BUtgb

Proef-resultaat

Dwarstrekvastheid (kPa) na 28 dagen

EN 1607

³ 60

 

Afpelweerstand van een afdichtingsmembraan gekleefd met bitumen (N/50mm) na 28 dagen

EUtgb afdichting

³ 25

 

Afpelweerstand van een afdichtingsmembraan gekleefd met koudlijm (N/50mm) na 28 dagen

EUtgb afdichting

³ 25